Napoleonsmolen

Napoleonsmolen

Het oude molenrecht: ‘heerlijk’ recht en banplicht

De Franse Revolutie bracht een hele omwenteling mee in het bestuur en de organisatie van de maatschappij.

Veel dwangmatige gewoonten en gebruiken werden afgeschaft. Veel privilegies van enkele bevoorrechte groepen verdwenen definitief. De nieuwe maatschappij predikte de vrijheid van de mens. Hoewel de Franse revolutie veel ellende en vooral veel oorlogsgeweld met zich meebracht, waren er talrijke gunstige vernieuwingen waaruit steeds meer mensen voordeel haalden. Als schoolvoorbeelden worden opgesomd: de hervoming van maten en gewichten, de instelling van het moderne notariaat, het kadaster, de hervoming van de rechtspraak en de rechtbanken,…

Een ander eeuwenoude gewoonte, het molenbanrecht voor adellijke bezitters van een dorp of een heerlijkheid werd afgeschaft. Het was in de ogen van de nieuwe politici inderdaad bevreemdend dat de enkeling die alle politieke macht combineerde ook de basis van de voedselketen in zijn handen had. Het molenbanrecht hield immers in dat er in het dorp of de heerlijkheid enkel en alleen op de molen van de heer mocht gemalen worden. De niet onaardige inkomsten uit de exploitatie van de banmolen verkregen, werden door de (adellijke) eigenaar voor zijn rekening geïnd en alleen de molenaar verkreeg in normale omstandigheden een behoorlijk werkloon.

Vanaf ca 1800 mocht elke burger een molen oprichten. Nieuwe kapitaalkrachtige personen of vennootschappen konden vanaf dat moment een eigen molen exploiteren.

In Hamont was dat niet anders.

Tot 1770 was de heer van Grevenbroek (sinds 1585 droeg de prinsbisschop van Luik deze titel) de eigenaar van de banmolen die zich op Achels grondgebied bevond. Tussen ca 1400 en 1770 beschikte de heer over minstens 2 banmolens, een wind- en watermolen. De oorspronkelijke windmolen was de versterkte Achelse Tomp, die in de loop van de 19de eeuw echter als een soort van burchttoren aanzien werd. Omdat de Achelse Tomp in de loop van de 16de eeuw als molen onbruikbaar werd, heeft men later nieuwe windmolens opgericht in de omgeving van het kasteel van Grevenbroek. Ook de watermolen werd regelmatig verplaatst, afhankelijk van het debiet van de aanliggende beek of sloot.

In 1770 kochten de stad Hamont en de dorpen Achel en Sint-Huibrechts-Lille de banrechten voor de molen af en werden zij (in de plaats van de heer van Grevenbroek) eigenaar van deze molen.

Lang heeft deze eigenaardige ‘intercommunale’ niet kunnen profiteren van deze aankoop. Door een zware storm in 1800 werd de molen onherstelbaar beschadigd. De 3 gemeenten, die slechts enkele jaren zelfstandig waren geworden onderhandelden nog om een nieuwe gemeenschappelijke molen op te richten maar tevergeefs.

De nieuwe molen van Hamont

Invloedrijke burgers in Hamont namen daarop zelf het heft in handen. Het lijkt erop dat de burgemeester Verachter het initiatief nam en op zoek ging naar investeerders voor de bouw van een nieuwe molen op het grondgebied van Hamont. De eerste aanzet lijkt wel iets officieels: het gemeentebestuur richtte in september 1803 een openbare oproep tot de bevolking om in te schrijven voor de bouw van de molen.

Toch werd het geen gemeentelijk project. In totaal 7 ondernemers stichtten een vorm van een vennootschap, lieten de molen bouwen en stelden op contractbasis een molenaar aan.

De oorspronkelijke oprichters-eigenaars waren:

  • Seyens Herman Jozef, latere burgemeester
  • Spaas Adriaan, teut
  • Ballings Hendrik-Willem, teut
  • Joosten Laurens, teut
  • Rijcken Jan, teut
  • Feyen Arnold, bakker
  • Geusens André, landbouwer.

De bouw van de molen

Over de bouwkosten van de nieuwe molen en de molenbouwer tasten we in het duister.

De bouwgrond werd aangebracht door Jan Rijcken op het perceel dat heden nog Molenveld heet.

De vermelding in en teutenregister van de familie Rijcken van het aandeel van bouwkosten voor de som van 50 Franse kronen (= 140 gl. Luiks) te betalen aan A. Spaas, doet veronderstellen dat deze laatste als bouwheer of coördinator van de werken fungeerde.

In 1806 betaalde de familie Rijcken grote sommen voor het beheer van de nieuwe molen.

Er werd al een nieuwe steen besteld die 66 kronen of zo’n 300 gulden Luiks kostte: de nieuwe ‘seijlen’ kostten 203 Luikse gulden. Aan de molenaar Peter de Vries werd door de familie Rijcken twee maal de ‘huer’ betaald: 300 en 100 gulden. En de ‘pagt anno 1806’ bracht 1000 gulden op.

Verhuring

Om meer duidelijkheid te krijgen over het wel en wee van de molenaar bestuderen wij het oudst overgeleverde huurcontract, dat opgesteld werd door notaris Willem Misotten uit Overpelt op 4 september 1811.

De molen werd toen verhuurd aan de weduwe Maarten Janssen, Helena Maria Van den Mortel, afkomstig uit Asten.

De volgende contractuele bepalingen zijn een bijzondere aandacht waard:

Art. 1 De huur wordt aangegaan voor een periode van 3 of 6 jaar. De huur kan door beide partijen tot 6 maanden voor de vervaldatum opgezegd worden.

Art. 2 Registratie- en notariskosten zijn te betalen door de huurder

Art. 3 Wat het maalrecht (scheploon) betreft moet de huurder zich schikken naar het lokaal gewoonterecht of naar de regelgeving door de overheid.

Art. 4 De huurder betaalt de huur op voorhand per trimester, maar betaald bij de aanvang reeds 1/4de van de huursom.

Art. 5 De huurder zal ten laste nemen alle kosten m.b.t. de werktuigen en het roerende gedeelte van de molen (“gereedschappen, bewegende en draaiende werken”), waarvan bij het begin van de huur door een expert een gedetailleerde staat zal worden opgesteld. De huurder betaalt bij de aanvang ‘en jouissance’ de prijs van de molenstenen en kleine werktuigen zoals opgesomd in de lijst

Art. 6 Bij het opzeggen van de huur zal eveneens door een expert een staat van bevinding worden opgesteld. In geval van schade zal de huurder volgens de schatting de schade vergoeden. In geval van verbetering zullen de verhuurders de supplementaire schattingswaarde betalen.

De huurder koopt de molenstenen over van de vorige huurder (in 1827: de molenstenen van rogge en boekweitmolen tegen 13 gulden, 70,25 cent per 2918 strepen

Art. 7 De huurder moet het lopende werk goed onderhouden

Art. 8 De verhuurder neemt de kosten op van het onbeweegbaar gedeelte van de molen (“de onbewegende werken”; “de stilstaande werken”) alsook datgene wat niet in de staat van bevinding wordt toegewezen aan de huurder.
De huurder is wel gehouden om de werklieden die herstellingen aan de molen op vraag van de verhuurder aanbrengt kost en logement te verschaffen zonder terugvordering van kosten aan de verhuurder. De huurder kan wel over het eventuele ‘afval’ van hout beschikken

Art. 9 Indien de herstellingswerken meer dan 14 dagen in beslag nemen kan de huurder pro rato vermindering verkrijgen op de jaarlijkse huurprijs.

Art. 10 Het is verboden om de molen onder te verhuren, tenzij met de goedkeuring van de verhuurder.

Art. 11 De huurder mag het laatste jaar van de huur geen nieuwe stenen aanbrengen, zonder toestemming van de verhuurder, tenzij de gebruikte stenen zodanig versleten zijn. De nieuwe stenen moeten door een expert gekeurd worden

Art. 12 De huurder is gehouden de personele en mobilaire belastingen te betalen, daarenboven 120 fr (in 1818/1827: 56 gulden 70 cent Nederlands) aan de verhuurder voor patentrecht en grondlasten, zonder dat de huurder daarbij vermindering voor de huurprijs van de molen kan eisen.

Art. 13 Indien er schade zou berokkend worden aan de molen veroorzaakt door de huurder of haar werklieden door brand of storm, zal de huurder opdraaien voor alle kosten

Art. 14 Indien de huurder door verbod om te malen vanwege de overheid schade ondervindt zal deze pro rato van de jaarlijkse huurprijs worden afgetrokken

Art. 15 De huurprijs voor de molen is vastgesteld voor de prijs van 1400 frank jaarlijks te voldoen. (in 1818: 493 gulden 29 cent Nederlands; in 1827: 605 gulden)

Verkoop van de molen in 1862

In 1867 installeerde de nieuwe eigenaar en molenaar L.G. Mathijsen in de Napoleonsmolen een olieslagerij via een verbouwing. Technisch gezien was het een vernuftige ingreep. De olieslagerij werkte via de bestaande koning. Zeer zuinig werd de oorspronkelijk kap behouden en werd de romp cilindrisch verhoogd met ca 4,15 m. Volgens de kenners werd ook de vlucht van 26 m. ongewijzigd behouden. De olieslagerij tenslotte werd samengesteld uit stukken die van een oude rosmolen (uit Achel?) waren gerecupereerd.

Oorspronkelijk was de Napoleonsmolen een bergmolen, wat betekent dat er tot ca 65 cm onder de maalzolder grond was aangebracht. Na de inrichting van de olieslagerij werd de berg afgegraven en een gaanderij (‘stelling’) aangebracht. Volgens de herinnering van Jaak Van Bree zou dat pas eind jaren 1920 gebeurd zijn.

De Napoleonsmolen, gebouwd door dokter Mathijsen!

Eerst in de jaren 1930 en zeker tot in 1972 de studie over de Napoleonsmolen verscheen aan de hand van H. Van de Broek, vertelde men steevast dat de Napoleonsmolen gebouwd werd door niemand minder dan Dokter Mathijsen, de beroemde uitvinder van het gipsverband. Dat deze dokter pas één jaar na de bouw van de molen in 1804 geboren werd, had men niet opgemerkt.

Vanwaar deze verwarring?

Toen L.G. Mathijsen, de broer van de bekende dokter in 1863 zelf eigenaar werd van deze molen, liet hij er grote verbouwingswerken uitvoeren. Deze werken en vooral de inrichting van de nieuwe oliemolen zal wellicht later aanleiding zijn geweest tot de idee dat Mathijsen de molen bouwde.

Dokter Mathijsen heeft echter met deze bouw rechtstreeks niets te maken, dan wel het feit dat hij sedert zijn oppensioenstelling bij de zoon van zijn broer-molenaar (‘Helmke’) te Hamont is gaan inwonen. Hij stierf er ook in 1878.

Het feit dat dokter Mathijsen in Hamont nabij de molen stierf en zijn broer er sedert 1826 molenaar was, heeft ongetwijfeld deze verwarring teweeg gebracht.

In 1972 heeft H. Van de Broek definitief komaf gemaakt met deze illusie.

De molenaars sedert 1863

1. Ludovicus-Gerardus Mathijsen

molenaar sedert 1827

eigenaar van de molen sedert 1863

overleden te Hamont in 1871

2. Louis Herman Mathijsen (zoon van 1)

molenaar sedert 1871

overleden te Hamont in 1874

3. Willem Mathijsen (= Helmke) (zoon van 1)

molenaar sedert 1874

verkocht in 1879 de molen en vestigde zich als graanhandelaar

overleden te Hamont in 1912

4. Jacobus-Antonius Van Asten

molenaarsknecht van de molen te Hamont 1871-1873

molenaar sedert 1879

verkocht in 1886 de molen

5. Peter-Jan Van Bree

molenaar sedert 1886

overleden te Hamont in 1933

6. Jozef Van Bree

hulpmolenaar

overleden te Leuven in 1967

7. Jaak Van Bree

molenaar-eigenaar sedert 1951

overleden te Hamont in 1978

De familie Van Bree, meer dan een eeuw eigenaar van de molen van Hamont

In 1886 werd (Peter) Jan Van Bree, geboren te Budel, eigenaar van de Napoleonsmolen te Hamont. Hij zou er eerst alleen later met zijn zonen tot de jaren 1930 malen. Zijn zoon Jaak zetten na zijn dood de molenstiel verder. Peter Jan Van Bree leerde de stiel kennen op de molens van Weert, Kinrooi en Molenbeersel. In 1929 werd Jaak op de Napoleonsmolen door zijn vader opgeleid. Toen Peter Jan in 1933 stierf, kon hij als volleerd molenaar de stiel eenvoudig overnemen.

Aanvankelijk maalde Jaak, steeds in witte kiel met de windkracht. Op maandag werd traditioneel olie geslagen(raapzaad). De andere dagen, als er genoeg wind was werd er uiteraard in het goed seizoen graan gemalen. Desnoods werd op zondag gemalen, wanneer tijdens de week in het drukke oogstseizoen de wind al te veel was blijven gaan liggen.

In 1950 stopte Jaak met het malen op de wind. De tijdsomstandigheden eisten steeds meer stiptheid, waardoor hij verplicht was om over te schakelen op elektriciteit. De molenstenen werden op deze manier tot 1968 aangedreven. In dat jaar stopte Jaak met het molenbedrijf.

De molen 30 jaar stilgelegd (1968-1997)

Door sterk gewijzigde economische omstandigheden was het molenbedrijf sedert de jaren 1950-1960 niet meer winstgevend en bleven de onderhoudskosten ongemeen groot. Ook gewijzigde landbouwmethoden en de overschakeling op andere gewassen deed de vraag naar maalwerk sterk dalen. De molen draaide reeds vanaf 1958 niet meer op de wieken, maar werd elektrisch aangedreven. In 1968 besliste Jaak Van Bree om definitief te stoppen.

In hetzelfde jaar verhuurde hij aan A. Budé de molen, die voorlopig wind- en waterdicht was gemaakt, om er en drankgelegenheid in te richten. Het kreeg de typische naam ‘Don Quichtte’ mee. Lang heeft dit café niet kunnen overleven. De molen verkommerde steeds meer. Er werden plannen gesmeed om het te beschermen en er een museum in onder te brengen. In 1982 werd het eindelijk wettelijk beschermd, maar het zou nog tot 1990 duren tot er schot zou komen in herwaardering en uiteindelijk het herstel van de molen. Toen immers kocht de stad Hamont-Achel de molen en stelde zich garant om de molen in de nabije toekomst volledig te laten restaureren. In 1993 werd het restauratiedossier goedgekeurd en konden de werken in 1995 starten. Als architecten traden op: W. Van Hoof (Hechtel-Eksel) en A. Rijcken (Hamont-Achel). Bijzonder waardevolle technische en bouwhistorisch advies verkregen zij van N. Jurgens.

De vernieuwde molen kon op 17 mei 1997 feestelijk in gebruik worden genomen. Sedertdien wordt hij door vrijwillige molenaars op geregelde tijdstippen bemalen en onderhouden.

De nieuwe generatie molenaars (1997- )

1. Eddy Frederix, Lommel (1997-2002)

2. Evert Meijs en Harry Wijnants (2003-

Kadastraal:

MOLEN

C 667 windgraanmolen

1868: bouw van de stoomoliemolen op C666a

1885 twee molens

C 666c en C667

1951

C 667c windgraanoliemolen

1958

C 667d elektrische graanmolen

MOLENHUIS

  1. bouw van een molenhuis op C666

Hamont-Achel, juni 2004 Luk Van de Sijpe

Opschriften in de Napoleonsmolen te Hamont

Regelmatig treft men in openbare gebouwen, fabrieksgebouwen, kerken of plaatsen waar lange tijd personen verblijven of werken inscripties aan, waarbij een naam of een afkorting of een symbool wordt ingegrift. Het is zoiets als vele toeristen nalaten op een of ander monument om voor vrienden of latere generaties te bewijzen dat zij op die plek geweest zijn;

In de Napoleonsmolen hebben vanaf 1804 tientallen molenaars en molenmeesters hun ‘visitekaartje’ achtergelaten.

Een deel van de inscripties is tijdens de restauratie van 1996-1997 door ongelukkige omstandigheden verloren gegaan. Het betreft de op de binnenzijde van de molenromp geschilderde exemplaren.

Een ander deel is aangebracht op houten onderdelen van het molenwerk en bleef bewaard.

Op de steenzolder noteerden wij bij het molenonderzoek in 1990 de volgende geschilderde inscripties:

Willem Mathijsen

W M

M

STOOTERS

TLB

HVDKOP

Alleen de eerste naam is bekend: Willem Mathijsen was de derde molenaar van de familietak Mathijsen en werkte in de jaren 1870 op de Napoleonsmolen.

Verspreid over de gehele molen vinden we op balken meerdere inscripties met meestal enkele symbolen versierd:

W A IANSSENS 1812 (met symbool van IHS, molensteen en hamer)

LVDVOORT 1812

W A IANSSENS 1812

MATHYSEN

H. GOVERS

L G MATHYSEN

1812 FM

Uit deze inscripties op het balkwerk in de molen is af te leiden dat in 1812 belangrijke werken aan de nochtans nieuwe molen zijn uitgevoerd. De namen Janssens en Van de Voort wijzen in de richting van meester-molenaars.

Hamont-Achel, juni 2004 Luk Van de Sijpe

NAAR DE MOLEN VOOR "BOGGENDE MEIL"

Een kort nostalgisch verhaaltje voor een speciaal "molennummer"; niet over de molenbouw of zijn geschiedenis, maar wel over, wat je vandaag zou plaatsen onder de rubriek, "relatie tussen molen en gezin".

Hamontenaren van mijn leeftijd, d.w.z. 80+sers, weten nog dat in hun jeugd het dagelijks ontbijt in een doorsnee gezin bestond uit" de spekkoek", in Hamont beter gekend als "de boggendekoek" (= de boekweitekoek).

De basisingrediënten om het beslag voor deze klassieke pannenkoek te bereiden zijn:

boekweitemeel , al dan niet gemengd met bloem, één of twee eitjes van" op de mesthoop scharrelende" kippen, onder toevoeging van water, melk of botermelk, en wat zout als smaakmaker. Goed beslag werd 's avonds te voren aangemaakt; kwestie van het meel te laten "dijen" en het gistingsproces de nodige tijd te geven.

Praktisch in 't gebruik was een rood-bruin gelakt "steelpannetje", uiteraard met lange steel en een schenkteutje, waarin het overschot als zuurdesem werd bewaard.

En de volgende morgen kon men genieten van moeders "koekenbak-kunst”.

Gas- of electrisch vuur was nog niet in de mode; als warmtebron was er "de Leuvense keukenstoof” of in de achterkeuken een eenvoudig "stenen vuurke", t.t.z. een rechthoekige stenen constructie met een ijzeren kookplaat; in werkelijkheid een allesbrander, ook geschikt voor het "afkoken" van de was, het "inwecken van groenten en fruit", enz.

Op een matig houtvuur zorgde een stuk spek in de zwarte gietijzeren koekpan voor het nodige

bakvet. Mijn voorkeur ging uit naar een dunne knapperige koek, met gaatjes rond het uitgebraden sneetje spek.

In de passende volgorde kreeg ieder gezinslid zijn exemplaar op .., een houten" koekwis". Bij ons thuis was Pauke Van Baelen uit de Molenstraat de leverancier ervan. En de man kende het vak; met geschilde blanke "wissen" maakte hij een regelmatig gevlochten, lichtjes tapvormige schotel, op een ronde voet. .. .Inderdaad een elegant model! (zie afbeelding)

Roggebrood en appelstroop zorgden voor een volledig ontbijt en een goed gevulde maag.

Maar met dat -dagelijks- koekenbakken, raakte het meel snel op en moest de blikken meeldoos op tijd hervuld worden. Dan klonk moedersopdracht: "een paar kilo boggende meil halen op de molen bij Jaak Van Bree." 't Was niet ver: Hoogstraat, Burg en Meulepeike en ik was bij de molen. Langs de houten trap naar de meelzolder, waar de mulder met de "schupper" (=schepel) het meel vanuit de meelkist in de stevige bruine "buul" overbracht.

En ... eens volgde na de afrekening dit kort gesprek.

  • Ik geloof dat ge ook bij de misdienaars zijt, éh jongen.

  • Ja!

  • Dan kent ge zeker ook al wat latijn?

Een vraag, waarop geen antwoord.

  • As pecopis (s)anctuis! Wat zou dat willen zeggen, jongen?

  • Ik bleef het antwoord schuldig.

  • Maar de mulder vertaalde vlot: "as 't spek op is, hangt de wis"! Tot de volgende keer en vergeet het niet, "zonder spek, geen spekkoek"!

Tot zover mijn herinnering.

Hamontse en Achelse historici (Dr. M.Bussels en A. Claassen) schonken ook reeds aandacht aan "de boekweite-koek" met een bijdrage in een toeristisch en heemkundetijdschrift.

De Hamontse schrijver Jan-Mathijs Ballings ( °Hamont 1829 - + Kinrooi 1919 ) schreef in zijn dichtbundel "Zoete en zure herinneringen (1865-1890)” een "Lofzang aan de boekweitenkoek". Om af te sluiten enkele verzen uit die ode:

". ... Als ik vroeg de pan hoor kissen

vlieg ik vierkant in mijn broek,

want dan kan ik stellig gissen:

heden is het weer spek-koek.-

Ik wil dan ook uw lof verhalen

lekk're , bruine, malsche koek! !…."

Hamont-Achel, juni 2004 Harry Van de Broek