Teuten

Teuten

Van koperteuten en lubbers

In Noord-Limburg is ‘Teuten’ een bekend begrip. Deze handelsreizigers maakten eeuwenlang verre reizen om hun koopwaar aan de man te brengen en plaatsten hun gebied van herkomst internationaal op de kaart. Ook vandaag nog kom je de naam ‘teut’ vaak tegen in deze stree en vormen de Teutenhuizen een tastbaar relict van hun roemrijk verleden.

De Teuten waren handelaars afkomstig uit Noord-Limburg en de aangrenzende dorpen in Noord-Brabant en Nederlands-Limburg. Zij trokken gedurende 6 tot 9 maanden per jaar naar hun handelsgebied in Holland of Duitse grensgebieden, waar ze op een centrale plek over een depot annex slaapplaats beschikten. Van daaruit reisden zij langs de vaak verspreide woningen op het omliggende platteland om hun diensten en waren aan te bieden in een tijd dat men daar nauwelijks winkels of diensten aantrof.

Naargelang hun specialiteit onderscheidde men "koperteuten", “textielteuten” en "snijders". De eersten waren koperslagers en ketellappers, die niet alleen beschadigde potten en pannen herstelden, maar ook nieuwe verkochten. De tweede groep handelde in linnen, lakens, dekens, stoffen, kant en toebehoren.  De "snijders", ook wel "lubbers" genoemd, specialiseerden zich in het castreren van paarden, varkens, stieren en schapen. Soms dreven zij ook handel in deze dieren, zodat zij het beroep van veekoopman koppelden aan dat van veearts.

Intredegeld

Teuten onderscheidden zich van andere rondreizende leurders door hun goede voorkomen, ontwikkeling en vakkennis, door hun hoogwaardig assortiment aan producten, maar ook omdat zij hun klanten krediet verleenden en geld leenden. Ze reisden en handelden in groep of in compagnieverband, waarbij ieder vennoot eigen kapitaal inbracht. Ze hielden er een nauwkeurige boekhouding op na en alle overeenkomsten werden vastgelegd. Om in de compagnie opgenomen te worden moest je eerst enkele jaren als leerjongen dienen, waarbij het specifieke vak werd aangeleerd. Na deze leertijd werd men als volwaardige vennoot aangenomen mits het betalen van een intredegeld en het verwerven van een aandeel in de teutenzaak. Vooral dit laatste vergde een zware financiële inspanning.

De meeste Teuten keerden tegen december terug naar huis om er de Kersttijd in familiekring te vieren. Dan werden tevens grote bestellingen voor volgend jaar geplaatst. Sommige teuten investeerden in chique herenhuizen. Van deze  “Teutenhuizen” met opvallende gevels in stucwerk en luxueuze interieurs, zijn er vooral in Hamont, Sint-Huibrechts-Lille en Eksel nog tientallen bewaard. Anderen belegden in lokale molens, stokerijen, brouwerijen, kaarsenfabrieken… Teuten waren ook dikwijls erg vrijgevig als er een school of kerk gebouwd of hersteld moest worden.

De teuten waren actief van de 15de tot begin 20ste eeuw, toen hun handel verdween door de industrialisatie, de toename van de vervoersmogelijkheden en de opkomst van grote winkels. Als reactie verhuisden sommige teuten definitief naar het buitenland, anderen keerden terug naar de Kempen en schakelden over op kleinhandel of richten kleine bedrijfjes op. Zo startte in 1853 de bekende teutenfamilie Spaas met de gelijknamige kaarsenfabriek.
Een typisch voorbeeld is de teutencompagnie Rijcken uit Hamont. Gesticht in de 17de eeuw met als handelsgebied de streek rond Brielle, was Rijcken & Co in de 18de en 19de eeuw zeer actief. Na 1918 bleef één familietak Rijcken voorgoed in Brielle en vestigde er definitief een kledingzaak die nu nog operationeel is. Van een traditie gesproken!